Studiedag Filosofie en literatuur

De filosofie en de literatuur staan elkaar al eeuwen ten dienste en bij momenten zijn ze zelfs moeilijk van elkaar te scheiden. Romans verwijzen zelf geregeld naar filosofische tradities, en letterkundigen zoeken in filosofie op hun beurt handvaten bij de interpretatie van literaire teksten, ook als die teksten zelf niet nadrukkelijk aan filosofische kaders refereren. In de filosofie is het dan weer gebruikelijk om ideeën te illustreren en verder uit te werken aan de hand van literaire voorbeelden. Het is duidelijk dat filosofie en literatuur aan elkaar blijven grenzen als kennisvormen, ook in tijden van disciplinaire specialisatie. Daarbij is het maar de vraag of de letterkundige blik de filosofie nog recht doet en of de filosofische benadering de literariteit erkent. Zoeken lezers vooral de bevestiging van een filosofisch kader in de thematiek van een roman of gaan ze ook na hoe literaire stijl of een plotverloop een wijsgerig systeem problematiseren?

In de studie van de moderne Nederlandstalige roman maken lezers graag gebruik van filosofen om het literaire werk te verhelderen, ook omdat schrijvers er zelf naar verwijzen. Voor het oeuvre van Anna Blaman en Jan Walravens is de existentialistische filosofie een evident referentiepunt. Auteurs als Charlotte Mutsaers en Stefan Hertmans worden dan weer geassocieerd met poststructuralistische denkers als Jacques Derrida, Jean-François Lyotard of Gilles Deleuze. In de romans van jongere generaties auteurs duiken denkbeelden op uit de eenentwintigste-eeuwse ecofilosofie. In romans kunnen personages een denksysteem belichamen, kan de verteller een filosofie uiteenzetten, kan de loop van het verhaal een welbepaalde filosofie bekritiseren en ga zo maar door. Het particuliere, verhalende, fictionele en meerstemmige karakter van het romangenre kan de dialoog met de filosofie faciliteren.

Tijdens deze dag onderzoeken we het spanningsveld tussen de roman, literatuurstudie en filosofie. Sprekers worden uitgenodigd om een Nederlandstalige roman te lezen vanuit het perspectief van een specifieke filosoof. Zo willen we ons inzicht verdiepen in de manieren waarop Nederlandse literatuur in dialoog staat met filosofische tradities en tendensen. Naast vertrouwde combinaties zijn onverwachte perspectieven welkom op romans uit de moderne literatuurgeschiedenis. Tegelijkertijd wil de bijeenkomst de waarde van filosofie als interpretatiekader van literaire teksten bevragen en op scherp stellen. De sprekers zullen daarom reflecteren over de rol die filosofie kan opnemen bij de interpretatie van literaire teksten. Op welke manier kan een filosofische lens het betekenispotentieel van de tekst vergroten? Welke aspecten van het werk onttrekken zich aan die lens, of vertroebelen haar?

De schrijvers-filosofen Alicja Gescinska en Désanne van Brederode zullen als keynotesprekers de studiedag respectievelijk openen en afsluiten met een reflectie op het thema.

 

Inschrijven

Het colloquium is gratis, maar inschrijven is verplicht via dit inschrijvingsformulier.

 

Programma

09:30-09:50  

Verwelkoming door Lut Missinne (KANTL)
Inleiding door Lars Bernaerts en Alexander Van de Sijpe (Universiteit Gent)

09:50-10:50  

Alicja Gescinska
Het verhullende onthullen: over de morele en maatschappelijke kracht van literatuur

10:50-11:10

Guido Vanheeswijck (Universiteit Antwerpen)
René Girard en de romaneske ontmaskering van de metafysische begeerte

11:10-11:30

Alexander Van de Sijpe (Universiteit Gent)
Charles Taylor & Désanne van Brederodes Mensen met een hobby: postmoderne kanttekeningen bij de seculiere supernova & het omsloten zelf

11:30-11:50

Benjamin Biebuyck (Universiteit Gent)
De geboorte van Siegfried uit de geest van de idylle. Mulisch en Nietzsche

11:50-12:20 discussie
12:20-13:20 lunchpauze
13:20-13:40  

Kim Schoof (Vrije Universiteit Amsterdam)
Daniël Robberechts x Jean-Luc Nancy: liefde en lichamelijkheid van een 'schrijvende' in De grote schaamlippen

13:40-14:00

Bart Van Kerkhove (Vrije Universiteit Brussel)
De hoofdzaak als bijzaak? Gust Gils’ fantastische dissectie van de macht in het onafgewerkte Metastazen

14:00-14:20

Maxime Van Steen (Universiteit Gent)
Ivo Michiels tegen/met het existentialisme

14:20-14:50 discussie
14:50-16:00 pauze
16:00-17:00

Désanne van Brederode
De mens is dood, leve de mensen!

Abstracts

Alicja Gescinska / Het verhullende onthullen: over de morele en maatschappelijke kracht van literatuur

“Literature mystifies, philosophy clarifies”, zei Iris Murdoch ooit. Literatuur en filosofie zijn volgens haar zowel in hun doelstellingen als in hun aard fundamenteel verschillend. In deze lezing houdt Gescinska die visie tegen het licht. Ze gaat daarbij na of literatuur niet net zozeer als filosofie ons begrip van de wereld vergroot, welke rol empathie daarin speelt, en hoe literatuur een antidotum kan zijn tegen datgene wat Hannah Arendt als wezenskenmerken van de totalitaire verdrukking identificeerde: isolement en ontmenselijking. 

 

Kim Schoof / Daniël Robberechts x Jean-Luc Nancy: liefde en lichamelijkheid van een 'schrijvende' in De grote schaamlippen

In De grote schaamlippen (1969) spant Daniël Robberechts zich in om te zorgen dat ‘de lezers […] zich aan de hand van [zijn] geschrift geen vals beeld [zouden] vormen van het werkelijke leven’ (54). Het boek is opgezet als een katholieke schuldbelijdenis (‘door mijn schuld, door mijn grote schuld’), waarin Robberechts verschillende van zijn door het katholicisme als zonden aangemerkte daden opbiecht. Deze biecht heeft een zekere bevrijding als motivatie – een bevrijding van schaamte voor deze daden, een bevrijding van Robberechts’ schaamte voor ‘zichzelf’ dus, vgl de titelverklaring van het boek: ‘De met de lippen beleden en daardoor goeddeels overwonnen schaamte’ (182).

Aangezien de daden waarover De grote schaamlippen handelt stuk voor stuk liefde (voor mensen van hetzelfde geslacht, of gebrek aan liefde voor naasten) en lichamelijkheid (overspelige verlangens, masturbatie) betreffen, zijn het met name de door het katholicisme ingegeven opvattingen van liefde en lichamelijkheid waarvan Robberechts zich met De grote schaamlippen probeert te bevrijden. Deze presentatie peilt waar Robberechts’ literaire bevrijdingspoging lijkt te slagen en waar die strandt door het boek te lezen naast Jean-Luc Nancy’s ontologie van het lichaam in Corpus (1992) – een tekst waarin de katholieke eucharistieviering (‘neem en eet, want dit is mijn lichaam’) een belangrijke rol speelt – en diens deconstructie van het christendom in La déclosion (2005).

 

Bart Van Kerkhove / De hoofdzaak als bijzaak? Gust Gils’ fantastische dissectie van de macht in het onafgewerkte Metastazen

Van de hand Gust Gils (1924-2002), notoir schrijver van de korte –en steeds kortere– baan, verscheen nooit een roman. Min of meer verrassend dook in zijn nalatenschap wel het onafgewerkte manuscript van een dergelijk project op, met als werktitel Metastazen. Het betreft een soort familiekroniek, het relaas van de Oscams, ongrijpbare heersers over een onbestemde stad. Onder redactie van executeur Jeroen Kuypers werd hieruit in 2013 bij Voetnoot een selectie van vier hoofdstukken, onder de titel Posthypnotische ingreep, uitgegeven.

In deze bijdrage probeer ik uitgaande van dit manuscript, daterend van de late jaren 1960, een begin van antwoord te formuleren op enkele met elkaar verwante vragen. Wat probeerde Gils met deze roman gezegd te krijgen, ja waarom beproefde hij überhaupt dit hem als auteur én lezer totaal vreemde genre? Waarom viel het project in een vrij vergevorderd stadium stil, zette hij niet door richting publicatie, viste hij het zelfs later nooit meer op? Meer in het bijzonder: in hoeverre was dit alles bewuste keuze dan wel lotgeval? Zeggen vorm en inhoud van de onafgewerkte roman misschien iets, eventueel zelfs veel, over deze kwestie? Illustreren ze met name niet net de onmogelijkheid van de roman, tenminste in Gils’ surrealistische universum, samenhangend van absurditeit, zijsprongen, invallen, gedachtekronkels, nieuwe impulsen, waar hoofdzaak nooit meer dan bijzaak wordt, mag, kan worden?

 

Alexander Van de Sijpe / Charles Taylor en Désanne van Brederodes Mensen met een hobby: postmoderne kanttekeningen bij de seculiere supernova en het omsloten zelf

In zijn magnum opus A Secular Age (2007) gaat de Canadese filosoof Charles Taylor op zoek naar de wortels van het seculiere zelfbegrip. De seculiere cultuur kenmerkt zich volgens hem onder andere door een ‘omsloten’ kijk op het zelf en een supernova aan zingevingsmogelijkheden. Taylors werk kadert in een bredere tendens die we postseculier kunnen noemen. Binnen het postseculiere denken is seculariteit geen natuurlijke categorie, maar een historische en culture constructie met specifieke ‘achtergrondbeelden’ over mens en wereld.

Literatuur kan ons helpen om ons begrip van de seculiere conditie te vergroten. Hoewel het oeuvre van Désanne van Brederode van meet af aan wordt gepositioneerd in een literaire traditie van speelse omgang met de christelijke traditie, is het mogelijk preciezer om seculariteit (en niet zozeer religie) als een van de centrale thema’s van haar literaire werk te beschouwen. In deze lezing onderzoek ik hoe de Tayloriaanse filosofie ons kan helpen om de verbeelding van de seculiere conditie in haar roman Mensen met een hobby (2001) te begrijpen. De filosofie functioneert daarbij als een zoeklicht dat onze blik op de (doorgaans ongemarkeerde) seculiere categorie op scherp stelt. Tegelijkertijd brengt de roman, vooral door zijn postmoderne trekken, ook schakeringen aan in dat zoeklicht. Op die manier wil ik aandacht besteden aan de specificiteit van narratieve kennis, die zich onttrekt aan een enkel filosofisch kader.

 

Guido Vanheeswijck / René Girard en de romaneske ontmaskering van de metafysische begeerte

In Girards eerste boek, De romantische leugen en de romaneske waarheid, verwijzen ‘romantische leugen’ (mensonge romantique) en ‘romaneske waarheid’ (vérité romanesque) naar twee fundamenteel verschillende manieren waarop verlangen wordt begrepen. De romantische leugen bestaat uit de overtuiging dat onze verlangens spontaan, authentiek en autonoom zijn. Voor Girard is dit echter een illusie. We verlangen meestal niet rechtstreeks naar objecten, maar omdat anderen die objecten verlangen of waarderen.

De romaneske waarheid ontstaat wanneer een roman dat verlangen ontmaskert als mimetisch. Grote romanschrijvers laten zien dat hun personages niet autonoom verlangen, maar daarin afhankelijk zijn van modellen, rivalen en bemiddelaars. Voor Girard is de overgang van romantische leugen naar romaneske waarheid dan ook een vorm van bekering of van groeiende zelfkennis. Op het einde van een grote roman ziet een personage in dat zijn trots, rivaliteit en vermeende autonomie niet meer dan illusies waren. Daarom is de romaneske waarheid niet enkel een literaire techniek, maar ook een antropologisch inzicht: de mens is veel minder autonoom dan hij denkt en leeft grotendeels van geleende verlangens.

Dit Girardiaanse model wordt toegepast op enkele fragmenten uit Hugo Claus’ Het verdriet van België en Gerrit Komrij’s Dubbelster.

 

Maxime Van Steen / Ivo Michiels tegen/met het existentialisme

Het vroege werk van Ivo Michiels, meer bepaald zijn debuutnovelle Zo, ga dan... (1947) en zijn debuutroman Het vonnis (1949), wordt door onderzoekers als boodschapperig en anti-existentialistisch gecategoriseerd. Beide teksten voeren namelijk een karikaturale sartriaanse figuur op die negatief afgeschilderd wordt en onschadelijk gemaakt wordt, ten voordele van de altruïstische hoofdfiguren (Stynen 1980, 62).

Een minder oppervlakkige lectuur demonstreert echter dat de existentiële problemen die de sartriaanse karikaturen belichamen een uitvergroting zijn van de problemen waarmee de andere personages worstelen. Beide teksten zoeken antwoorden op vragen die sterk gelijklopen met de vragen in diverse existentialistische teksten uit de naoorlogse periode. Ze incorporeren dezelfde topoi en motieven, en proberen zo het existentialisme met de eigen inzichten te ondermijnen.

Een lectuur van Zo, ga dan... en Het vonnis vanuit een literair-existentialistische lens maakt het bovendien mogelijk om commentaren in de contemporaine katholieke receptie beter te begrijpen. Het wringt inderdaad om de novelle in het genre van de bekeringsliteratuur te willen inpassen. Ook kan de roman niet volledig begrepen worden door hem als een klassieke psychologische roman te benaderen.

 

Benjamin Biebuyck / De geboorte van Siegfried uit de geest van de idylle. Mulisch en Nietzsche

In 2001 publiceert Harry Mulisch (1927-2010) Siegfried. Een zwarte idylle. De tekst bestaat uit 19 relatief korte scènes, die doen denken aan de typische bijna lichtzinnige cliffhanger-techniek van een feuilleton. Deze techniek contrasteert fel met de zwarte tragiek die de auteur als idylle benoemt. In het middelpunt staat het kortstondige verblijf van een succesvolle, door het leven gelouterde Nederlandse schrijver Rudolf Herter samen met zijn jongere levenspartner/literair agent in Wenen voor een auteurslezing uit nieuw en oud werk, en met name zijn magnum opus De uitvinding van de liefde – een fictieve roman die mogelijks verwijst naar Tom Stoppards theaterstuk The invention of love uit 1998 over de Amerikaanse (homoseksuele) classicus en dichter Alfred Edward Housman (1859-1936). Zoals het een ervaren schrijver betaamt, slurpt hij alle impulsen uit zijn omgeving in zich op om te verwerken in een nieuwe roman, waarin hij wil proberen het “oninbeeldbare” voor het voetlicht te brengen: het doorgronden van de man die het absoluut kwade belichaamt, Adolf Hitler. Na afloop van een lezing komt hij in contact met een oud koppel dat Hitler van dichtbij heeft gekend en hem een tragisch verhaal toevertrouwt dat zijn nieuwe romanplannen helemaal hertekent.

In 2000 werd de 100e sterfdag van Friedrich Nietzsche herdacht, de filosoof die met name in de decennia na de Tweede Wereldoorlog – de periode van Mulisch’ vroege schrijverschap – een ambivalente receptie te beurt viel: fascinatie in grote delen van de Westerse wereld, scepticisme en zelfs argwaan in de Duitstalige wereld en wat later het Oostblok zou worden. De idylle bevat zowel speelse en incidentele verwijzingen naar Nietzsche (de titel, uiteraard, maar ook allusies zoals “Stel, ik ken een vrouw die een raadsel voor mij is…”, 28; de “zandloper” in het antwoord van de zoon Marnix, p. 48) als expliciete en inhoudelijke reflecties (vooral “Die Geburt der Tragödie…”, 46-47, 131, 159, vooral 167-181, 212). Twintig minuten zullen volstaan om een aanzet van antwoord te geven op de vraag hoe een hedendaagse roman in dialoog treedt met een filosofisch project om potentiële interpretatiekaders te ontwerpen die lezers leiden en misleiden.

 

Désanne van Brederode / De mens is dood, leve de mensen!

In mijn roman Het opstaan (Querido, 2004) toonde ik hoe maatschappelijk betrokken, veelal linkse kunstenaars en intellectuelen zozeer opgaan in hun eigen diepgaande reflecties, dat ze niet door hebben hoe er onder hun ogen een zogenaamd vrijwillige uittocht van migranten plaatsheeft, naar een kleurrijke, gloednieuwe allochtonenstad in het uiterste noorden van Nederland - die ten slotte door een handvol opzettelijk binnengelaten terroristen in de as wordt gelegd. Ik begon al aan het boek vóór 9/11, omdat ik in mijn eigen volksbuurt in Amsterdam bemerkte dat de interesse voor buitenlandse buurtgenoten maar zeer oppervlakkig was en vooral de zo leuke veelkleurigheid, de winkeltjes en restaurantjes betrof: 'Kijk ons eens tolerant zijn'. Ik achtte de kans groot dat de 'liefde' ook zo weer voorbij kon zijn. Bovendien plaatste ik toen al vraagtekens bij de zelfvoldane gedachte dat extreemrechts in Nederland nóóit echt voet aan de grond zou krijgen. 

Twintig jaar later, in 2024, verscheen bij uitgeverij Thomas Rap de roman De Gloed van Annemarie de Gee, waarin een hoogopgeleide, linkse, geëngageerde jonge vrouw en moeder in de ban raakt van een riviercruiser vol vluchtelingen in het water voor haar huis. Ze schrikt soms van haar eigen angst en vooroordelen, maar zoekt ook naar rechtvaardigingen voor haar xenofobie én haar onverschilligheid ten aanzien van het lot van deze mensen. 

In mijn lezing wil ik een lans breken voor fictie die poogt bloot te leggen dat achter mooie, hoopvolle filosofische woorden over menselijkheid en ‘de mens’ soms helemaal niet die empathie schuilgaat waarover zo hoog wordt opgegeven. Al het praten erover, in kringen van gelijkgestemden, is soms slechts ijdel uitstel van handelen. Tot het te laat is. 

 

Organisatie 

KANTL, Lars Bernaerts, Alexander Van de Sijpe